Terugblik: Vervolgd in Limburg

Samenvatting lezing Herman van Rens op 10 februari 2014 te Heerlen.

Tijdens de lezing werd er een schets gegeven van de joodse bevolking van Limburg in de jaren dertig. Er was sprake van een sterk vergrijzende en krimpende bevolkingsgroep welke in de periode tussen 1870 en 1930 met bijna de helft was afgenomen, tot 800 zielen. De joden in Limburg waren – evenals de joden elders in Nederland – in het algemeen goed in de samenleving geïntegreerd. Op sociaal-economisch gebied waren zij sterk verbonden met de handel in vee, vlees en textiel. Een deel van hen had hierdoor een aanzienlijke welstand bereikt.  Kerkelijk waren de meeste joden lid van het orthodoxe Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, maar hun integratie in een katholieke omgeving had het godsdienstig leven en de eigen culturele gebruiken doen verwateren. Zij hadden echter niet volledig gebroken met hun cultuur. Zij herkenden zichzelf als jood, en werden ook door de omgeving als zodanig gezien. De vluchtelingen die tussen 1933 en 1940 vanuit Duitsland in Limburg aankwamen brachten grote veranderingen.  Door hun komst verdubbelde het aantal joden in de provincie en kreeg de Limburgse economie een positieve impuls.

Na de inval
Na de Duitse inval in Nederland werden de joden in Limburg op ongeveer gelijke wijze slachtoffer van discriminatie, stigmatisering, isolatie en onteigening als in de rest van Nederland.  Bij de geschiedenis van de massa-arrestaties en de daaropvolgende deportaties naar de vernietigingskampen   constateerden we in Limburg duidelijke en niet-onbelangrijke verschillen met de gang van zaken in veel andere delen van Nederland.

Joden werden uit Limburg weggevoerd na een beperkt aantal grootschalige arrestaties. Op 20 mei 1942 werd een groep notabele mannen uit Maastricht slachtoffer van een wraakactie van de nazi-bezetters voor het weghalen door onbekenden van de bordjes met de tekst ‘Verboden voor Joden’. Na hun arrestatie en opsluiting in het Kamp Amersfoort behoorden zij tot de eersten die naar Auschwitz werden gedeporteerd. Op 2 augustus 1942 werd opnieuw een groep het slachtoffer van een wraakactie: katholiek gedoopte joden werden bij een razzia opgehaald en gedeporteerd. Het was een vergelding voor het voorlezen van een Herderlijke Brief op zondag 26 juli, waarin de bisschoppen protesteerden tegen de inmiddels begonnen wegvoering van joden naar het Oosten.

Eerste actie
De eerste massale arrestatie had plaats op 25 augustus 1942. De meerderheid van de Limburgse joden die jonger waren dan zestig jaar, had een dag eerder een ‘oproeping’ gekregen met het bevel zich ‘voor arbeidsverruimende maatregelen’ te melden op een verzamelplaats in Maastricht. Die oproep werd hen thuis overhandigd door Nederlandse politiemannen, leden van de gemeentepolitie en de gemeentelijke veldwacht.  De misleidende term ‘arbeidsverruiming’ werd meer geloofwaardig door het feit dat ouderen niet werden opgeroepen en doordat op grote schaal uitstel werd verleend op grond van medische of andere omstandigheden. Omdat joden een dag de tijd kregen om zich via onderduik aan arrestatie te onttrekken en omdat velen erin slaagden uitstel te krijgen, werden van de 600 personen die naar Westerbork hadden moeten vertrekken, er uiteindelijk minder dan 300 naar dat kamp gebracht. De meeste van die arrestanten werden gedwongen plaats te nemen in de eerstvolgende trein ‘naar het Oosten’, die op 28 augustus wegreed uit Nederland. Dit was toevallig ook de eerste deportatietrein die stopte in Kosel, op 80 kilometer ten westen van Auschwitz. Hier werden de mannen tussen 16 en 50 jaar, waaronder 75 Limburgers uit de trein gehaald en naar joodse werkkampen gebracht. De vrouwen en kinderen, en de mannen tussen 50 en 60 jaar, werden op 31 augustus in Auschwitz vergast.

Tweede grote actie
De tweede grote actie was een onaangekondigde razzia op 10 en 11 november, opnieuw uitgevoerd door de Nederlandse gemeentepolitie. Joden werden opgehaald tijdens de uren dat zij hun huis niet mochten verlaten en hadden weinig kans om te ontkomen. Ook nu weer betrof het alleen personen jonger dan 60 jaar en werden op vrij grote schaal vrijstellingen wegens ziekte verleend. Ongeveer 125 Limburgers werden door de Limburgse politie overgedragen aan de Sicherheitspolizei.

Na deze beide arrestatiegolven bleven in Limburg nog vooral de ouderen en zieken over. Eind maart 1943 kregen die bericht dat vanaf 10 april aan alle joden het verblijf in acht provincies, waaronder Limburg, was verboden. Alle leden van de resterende joodse gemeenschap werden gedwongen te ‘verhuizen’ naar het concentratiekamp Vught. Vught werd, in tegenstelling tot Westerbork, door velen beschouwd als een werkkamp in wording, van waaruit men niet naar het Oosten zou worden gedeporteerd en waar men zolang de bezetting duurde zou blijven. Toch meldden zich slechts 215 van de 500 personen die naar Vught hadden moeten gaan, daadwerkelijk in dat kamp. Een groot aantal bleek in de dagen tussen de bekendmaking en de ‘verhuizing’ besloten te hebben om onder te duiken. De merendeels oudere Limburgers die wel in Vught werden ingeschreven, werden op 8 mei overgebracht naar Westerbork, vanwaar de meeste terechtkwamen in de trein van 11 mei naar Sobibor. Daar vonden zij de dood in de gaskamer op 14 mei.

Dit patroon van arrestaties en deportaties had als toevallig gevolg dat Limburgse joden van onderscheiden leeftijd en geslacht hun dood vonden in verschillende moordcentra. De ouderen stierven in Sobibor, de mannen van 16 tot 50 jaar in werkkampen in het westen van Polen en de vrouwen en kinderen in Auschwitz.

De grote meerderheid van de Limburgers werd gearresteerd na een aankondiging één of meer dagen tevoren. Onaangekondigde razzia’s troffen slechts de katholieke joden en een groep van 125 mensen in november 1942. De meeste joden hadden dus een (korte) tijd om onderduik te overwegen of voor te bereiden. Ongeveer de helft van hen dook daadwerkelijk onder, een voor Nederland relatief hoog percentage.

Onderduiken
De keus om te gehoorzamen aan de Duitse autoriteiten, dan wel om onder te duiken was moeilijk. Joden wisten, evenals andere Limburgers, dat hun lot in ‘het Oosten’ hard zou zijn, maar  ze wisten niet dat de meeste slachtoffers de dood in de gaskamer wachtte. Aan de andere kant werden de risico’s van een onderduik vaak overschat: centraal stond bij velen de angst dat ontdekking op een onderduikadres zou leiden tot deportatie als strafgeval naar Mauthausen, en dan zou worden gevolgd door een zekere dood. In de moeilijke beslissing tussen onderduiken of gehoorzamen maakten veel joden die zich ‘vrijwillig’ meldden een in hun ogen rationele keus.

Niettemin koos de helft van de Limburgse joden ervoor om de nazi’s niet te gehoorzamen. Ongeveer 650 Limburgse joden trachtten hun leven te redden door te vluchten of door onder te duiken. Van hen werden er 160 alsnog gearresteerd, 40 op hun vlucht in het buitenland, 70 binnen Limburg en 50 in andere delen van Nederland. In Limburg zelf waren 2400 joden ondergedoken, 400 Limburgers en 2000 niet-Limburgers.  Binnen de provincie werden 270 joodse onderduikers gearresteerd door of in opdracht van de Sicherheitspolizei.  Toch was onderduiken in Limburg relatief veiliger dan in andere provincies: in Limburg werd twaalf procent van de joodse onderduikers gearresteerd, in heel Nederland bedroeg dat percentage meer dan dertig.

Verschillen binnen de provincie
Ook binnen de kleine provincie Limburg vonden wij grote verschillen, zowel in het percentage overlevende joden, als in het aantal onderduikers die van buiten de provincie afkomstig waren. Omdat de hele provincie behoorde tot het ambtsgebied van dezelfde Aussenstelle, en de arrestaties in de hele provincie volgens hetzelfde patroon waren georganiseerd, ging ik op zoek naar een andere, meer lokale, factor om de verschillen te verklaren. In navolging van Ervin Staub postuleerde ik een society of enablement. Door min of meer toevallige oorzaken kon (en kan) een samenleving een collectieve norm ontwikkelen die neigt naar hetzij wegkijken, hetzij het bieden van hulp. Het gedrag van individuele mensen wortelt fundamenteel en diep in de waarden en normen van de groep. De groep biedt basisveiligheid. Binnen groepen hoopt een individueel persoon op goedkeuring en positieve bekrachtiging voor zijn doen en laten. Bij het ontstaan van groepsnormen speelt de houding en het voorbeeld van een klein aantal morele leiders die de leden van de groep de weg wijzen, een grote rol. Hulp, evenals wegkijken, bleken in Limburg tijdens de oorlog ‘besmettelijk’. Een society of enablement, gericht op hulp, leek er vooral te kunnen gedijen in veilige kleine samenlevingen, waarbinnen de leden en hun leiders elkaar kenden en vertrouwden.

Binnen Limburg trof ik enkele kleinschalige samenlevingen aan, die meer dan andere gericht waren op hulp aan joden. Ik vond ze in de besloten gemeenschappen van de gereformeerde minderheid in Heerlen en omgeving. De morele leiders waren hier enkele gerespecteerde en strijdbare predikanten en gemeenteleden. In dorpen van Noord-Limburg ten westen van de Maas trof ik ze aan in de even besloten boerengemeenschappen, krachtig gestimuleerd door vooral een groep jonge priesters.

Heerlen
Aan het einde van de lezing ging ik kort in op de stad Heerlen. Heerlen was één van de regio’s  waar onder een groep van de samenleving een op hulp gerichte society of enablement ontstond. Daardoor doken meer joden uit Heerlen onder dan elders, en daardoor ook bood de stad veiligheid aan een relatief groot aantal joden van elders. Ik wees op de grote rol van de gereformeerde dominee Gérard Pontier en zijn gemeenteleden, en op de kinderhulporganisatie NV. Mogelijk was ook de houding van burgemeester Marcel van Grunsven van invloed.

In 1940 woonden er in Heerlen 124 joden die niet waren beschermd door een ‘gemengd huwelijk’. Van hen werden er 58 vermoord. Op 25 augustus 1942 werden er 12 mensen via Maastricht naar Westerbork gebracht, 12 van de 57 die een oproep hadden moeten krijgen. Op 10 november trof de Heerlense politie bij de razzia 12 van de beoogde 20 slachtoffers aan. Op 10 april 1943 ‘verhuisden’ van de resterende 30 joden er 8 naar Vught. 30 joden werden in Heerlen gearresteerd in hun onderduikadres. Zes gedeporteerden keerden terug uit de kampen.

Foto’s: Magali Torres Guizado

Deze pagina delen
Email this to someoneShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on LinkedInDigg this

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Mogelijk is uw reactie niet direct zichtbaar onder het betreffende artikel. Uw reactie staat dan in de wacht. De redactie zal uw reactie zo snel mogelijk beoordelen voor goedkeuring.